Ik ben in een een of andere flat, gallerijwoningen, veel woningen (ik heb het idee dat het niet de eerste keer is dat ik hierover droom). Ik ben in een soort gang beland. Een gang van de bergingen van alle woningen lijkt het. Je loopt door de deur van de ene berging steeds de volgende berging in, en dan door de deur daarvan weer een nieuwe berging in. Er is helemaal niemand. Elke berging is anders ingericht, vol of leeg, andere kleuren, er staan spullen in, of dozen, netjes meestal.
Ik ben misschien onderweg ergens naartoe, misschien zoek ik iets, of loop ik richting een uitgang. Ik loop snel door. Er is geen mogelijkheid om eruit te komen, behalve de hele weg weer terug te lopen. Ik vertrouw erop dat ik vooruit moet blijven lopen. Na een heleboel bergingruimtes te hebben gepasseerd komen we in een nieuwe afdeling terecht; de logeerkamers. Blijkbaar heeft ook iedere woning van de flat hier een eigen aparte ‘logeerkamer’. Deze liggen wel langs een gang, zodat je er gewoon voorbij kunt lopen, wel kan je overal naar binnen kijken. Sommigen zijn leeg, in sommige staat een eenvoudig matras, soms een netjes opgemaakt tweepersoonsbed. Het valt me op dat alle kamers en bergingen erg licht en netjes en opgeruimd zijn. Ik realiseer me nu dat dit de kamers van de kinderen van de flatbewoners moeten zijn. Maar toch heb ik de indruk dat hier nooit iemand komt.
Ik loop een kamer binnen. Er zitten twee katten, het dekbedovertrek is lichtgroen. Ik eet snoepjes. Er staat een bureautje. Als ik weg wil gaan zijn er opeens allemaal insecten over het bed aan het lopen, kleine vliegjesachtige beestjes. Ik denk dat het bed best smerig moet zijn, lang niet schoongemaakt.
(01/06/2005)